HOE ENGELEN
er was een veer die danste op de wind, rustte op stofdeeltjes
dan met alle winden mee waaide en zacht op een andere veer landde
tot ze aan elkaar haakten, zo was er nog een veer aan een andere
en nog een aan weer een andere veer
er was een verendek ontstaan uit al die veertjes, donzig zacht
dwarrelde het dat het een lust was, in het rond, tollend
stuurloos deinde het mee op de wind tot die wegviel en het
op de grond in tweeën brak
er was een wezen dat verbaasd de twee verendekken betastte
de lucht ertussen voelde warm en wenkend, ze legde de losse delen
op haar schouders, liep naar de waterkant en nam zichzelf op, voelde
meer dan ze zag dat dit haar paste
er was een lichtheid in haar ontstaan zonder dat ze wist waarom
ze droeg nu vleugels die bijna groter waren dan zijzelf
als ze die probeerde uit te slaan bewoog ze haar armen
de gevleugelde schouders torsten
er was een hobbel op de weg, ze ging erop staan en keek
dit was een podium, alleen voor haar, hier toonde ze zichzelf
zoals ze was, ze draaide rond, ze rolde met haar schouders
bijna nam de wind haar mee
er was een gevoel dat ze zweefde.
dat gevoel verlicht haar
ze verlegt de grenzen waarbinnen ze tot vandaag heeft bewogen
de vleugels lossen op in losse veren en ze hervindt zich zelf
op het podium dat haar verheft